Clienten worden emotioneel overschat
De emotionele ontwikkeling van mensen met een beperking blijft vaak onderbelicht in de behandeling en begeleiding, zien orthopedagogen Jolanda Vonk en Amieke Hosmar. Aansluiting bij het emotionele niveau van cliënten kan gedragsproblemen voorkomen, stellen zij in hun pas verschenen boek.
Een sociaal kind wordt Naomi genoemd. Het twaalfjarige meisje is lief, vrolijk en gezellig. Ze is heel geïnteresseerd in anderen, stapt graag op ze af en vraagt ze het hemd van het lijf. Maar de sociale en emotionele ontwikkeling van Naomi zijn in werkelijkheid helemaal niet normaal verlopen. Naomi, die het Syndroom van Williams heeft, is verbaal sterk maar begrijpt niet altijd wat er bedoeld wordt. Ze komt ouder over dan ze is. Haar verstandelijke leeftijd is acht jaar, op emotioneel vlak functioneert ze echter op het niveau van een driejarige. Ze vertoont pubergedrag, maar haar wens om zelf te bepalen wat er gaat gebeuren en haar driftbuien zijn kenmerkend voor een kind in de peuterfase. Een peuter bescherm je, een puber laat je veel meer los. Naomi wordt makkelijk overschat waardoor ze in gevaarlijke situaties kan komen. Hoe hier mee om te gaan?
Hoewel de laatste jaren de aandacht voor de sociale en de emotionele ontwikkeling in wetenschappelijk onderzoek een vlucht heeft genomen, blijft dit bij mensen met een beperking onderbelicht. De focus op de hulpverlening ligt bij deze mensen vaak op de verstandelijke of lichamelijke beperking en de sociale vaardigheden maar niet op de emotionele ontwikkeling. Opmerkelijk, vinden orthopedagogen Jolanda Vonk en Amieke Hosmar, auteurs van het boek ‘Emotionele ontwikkeling bij mensen met een beperking’. “Een goede emotionele ontwikkeling en een evenwichtige persoonlijkheid liggen in elkaars verlengde”, schrijven zij. “De processen die hieraan ten grondslag liggen zijn belangrijk, zeker bij mensen met een beperking die voor hun gevoel van veiligheid en vertrouwen extra afhankelijk zijn van de zorg van anderen.”
Vonk en Hosmar schreven een praktisch boek voor begeleiders en gedragswetenschappers waarin ze, naast theoretische inzichten, op basis van de integratieve benadering van psychiater Prof. Dr. Anton Došen praktische handvatten geven: wat kun je doen in welke emotionele ontwikkelingsfase en bij welke beperking? Want voor ouders en begeleiders is het inschatten van het emotionele niveau vaak lastig, zien de auteurs in de praktijk.
“Onze missie is de ontwikkeling van gedragsproblemen en psychiatrische problemen bij mensen met een beperking te voorkomen”, legt Amieke Hosmar uit. In haar werk als orthopedagoog en GZ-psycholoog bij de Groesbeekse Tehuizen van zorginstelling Pluryn, ziet Hosmar bij veel cliënten problemen ontstaan als gevolg van wat zij noemt het ‘disharmonisch functioneren’ op verstandelijk, sociaal en emotioneel gebied. “Deze drie facetten zijn heel vaak niet in balans, dan ontstaan er problemen. Maar als je goed aansluit bij het emotionele niveau dan kan er weer sprake zijn van groei richting harmonie. Dan voelt de cliënt zich prettig en dat beïnvloedt het gedrag.”
Ze heeft voorbeelden genoeg. Van een verstandelijk gehandicapte vrouw bijvoorbeeld, die woedend wordt en in de war raakt wanneer het te druk wordt op haar leefgroep. “Op die momenten functioneert ze emotioneel op het niveau van een baby”, legt Hosmar uit. “Ze heeft dan baat bij rust, troost en vaste rituelen. Dat maakt overigens niet dat ze een baby is, op andere gebieden is het een volwassen vrouw. Maar op momenten van stress en drukte valt ze emotioneel gezien terug op haar basisniveau. Dat doen alle mensen, ook zonder een beperking, bijvoorbeeld bij ziekte of trauma. Het is belangrijk dat haar begeleiders dit weten en daar op inspelen. ”
Hoe logisch en vanzelfsprekend dit ook lijkt, in de praktijk wordt probleemgedrag vaak anders aangepakt. Hosmar: “Neem de jeugdgevangenissen. Vanuit maatschappij en politiek wordt geroepen om harde aanpak en strenger straffen. Maar kijk je naar het sociale en het emotionele niveau van de jongens en meisjes die op het criminele pad zijn geraakt, dan zie je dat die vaak heel laag zijn. Zo’n kind straffen is daarom niet effectief, wel de nabijheid, bescherming van een opvoeder en het opdoen van positieve ervaringen.”
Bovendien vallen veel professionals in de valkuil de cliënten te overschatten, weet Hosmar. “Onze westerse cultuur is erg verbaal ingericht, zo ook de hulpverlening. Is er een probleem, dan gaan we er over praten. Vaak in combinatie met een sociale vaardigheidstraining. Maar als je dan geen rekening houdt met het emotionele ontwikkelingsniveau dan ben je aan het trainen terwijl de ‘bodem’, de daadkracht van iemand daar nog niet klaar voor is.”
Een andere oorzaak is de indicatiestelling, ziet Hosmar. “Cliënten worden geïndiceerd op basis van hun verstandelijke en lichamelijke beperking. Er wordt gekeken naar wat iemand kan maar niet naar wat iemand aankan. We hebben daar ook geen goed toetsingsinstrument voor. Die zou er wel moeten komen. Emoties zijn moeilijk om objectief te worden gemeten.”
Hosmar en Vonk willen met hun boek collega’s een handelingskader bieden om toch goed aan te kunnen sluiten bij het emotionele niveau van hun cliënten. Ze hebben daarvoor geen wetenschappelijk onderzoek gedaan maar vertalen wetenschappelijke inzichten en theorieën naar de praktijk van alle dag. “Want”, zegt Hosmar, “mensen in de gehandicaptensector zijn vooral doeners. Gelukkig hebben veel van hen oog voor de emotionele ontwikkeling van hun cliënten. Maar ze hebben ook vaak te hoge verwachtingen van hen. Praten alleen helpt niet. Je moet er zijn. Dus ga achter die computer op de leidingkamer vandaan, pak je labtop en ga in de woonkamer zitten. Kook met ze, onderneem dingen samen, neem de verantwoordelijkheid en wees er.”
Het boek ‘Emotionele ontwikkeling bij mensen met een beperking’ van Jolanda Vonk en Amieke Hosmar is verschenen bij uitgeverij Acco en is te verkrijgen bij de boekhandel.
Zie ook
www.emotionele-ontwikkeling.nl
<< Terug naar het nieuwsoverzicht